De ninja op de motorfiets

Veghel, zomer 1996
Ik ben zes jaar oud, en in het midden van mijn straat ligt een houten plaat wankel op vier opgestapelde bakstenen. Tevreden over mijn fietsje leunend kijk ik naar mijn zojuist gefabriceerde schans. Ik was er al overheen gevlogen toen er drie bakstenen opgestapeld onder de plank lagen, en dat was maar net goed gegaan. Reden genoeg om het een trapje hoger te proberen.

Als kind twijfelde ik nooit over mijn beslissingen. Ik heb een blauwe lap stof op mijn hoofd geknoopt, met twee gaten bij mijn ogen waar ik maar nauwelijks doorheen kan kijken. Het hele begrip diepte begrijp ik nog niet, dus niet dat het hindert. Bovendien zie ik er nu uit als een ninja op een motorfiets. Ik zie mijn moeder aan komen lopen, en realiseer me dat ze me waarschijnlijk tegen gaat houden zodra ze ziet wat ik van plan ben, dus met een rotvaart scheur ik op de schans af.

In de kring de volgende dag op school vertel ik hoe ik tien meter door de lucht vloog en daarna prachtig slippend tot stilstand kwam. Mijn moeder vertelt me dat ik maar net mijn fiets onder controle wist te houden en op een haar na in de sloot terecht kwam, en dat ik het wel drie keer uit mijn hoofd moet laten dit ooit nog eens te proberen. Laten we het erop houden dat de waarheid ergens in het midden ligt.

Zuid-West Frankrijk, twintig jaar later
Helderblauwe golven en een stralende zon. Ik lig met zo’n tien andere surfers in het water. Eenmaal voorbij de branding gepeddeld, dieper de zee in, verandert de woeste zee in een rustig deinend karpet. Achter me, richting de kust, klinkt het geraas van de golven die met grof geweld op de zandbanken klappen. Ik moet en zal zo’n golf pakken.

Na een half uurtje dobberen gebeurt het zonder enige aankondiging. De prachtige piek van een golf komt op me af, maar een stuk groter dan ik gewend ben. Ik lig in positie. Andere surfers kijken, maar niemand ligt er zo goed voor als ik: een gelukje. Dit is mijn moment. Twee keer peddelen met mijn doel helder voor ogen. Het is een grote golf, maar als ik snel genoeg ga kan ik het halen. Een fractie van een seconde aarzel ik: ‘wat als ik het niet haal?’ Ik kijk achterom en realiseer me dat er geen ruimte voor twijfel meer is, ik lig al in de impact zone van de golf. Ik peddel nog twee keer en druk mezelf omhoog op mijn surfplank.

Zodra ik sta besef ik dat ik het niet ga halen. Ik doe mijn uiterste best om snelheid te maken, ik pers met alle macht maar de golf haalt me in. Helt dreigend over me heen. Klapt op me neer. Sleurt me door de branding als een kat in een wasmachine.

Niet veel later zit ik op de bank bij de dokter die me voorziet van hechtingen in mijn hoofd. Dit, en het surfboard dat een gat opliep bij de klap, dwingen me om mijn vakantie vervroegd af te breken. In de auto terug naar Nederland vraag ik me af: ‘Haalde ik het niet omdat ik twijfelde of twijfelde ik omdat ik het niet haalde?’ Een onzekerheids-kip-ei discussie die duurt van Parijs tot Gent en me niets wijzer maakt.

Amsterdam, een jaar later
Dit soort kleine twijfelingen komen de laatste tijd steeds vaker voor en ik heb geen idee waarom. Je zou toch verwachten dat je met het leren door de jaren heen beter wordt in het maken van keuzes en dat je juist minder gaat twijfelen?

Ik zit in een café en leg mijn probleem voor aan een vriend. Hij vertelt me een anekdote over jonge skischansspringers. ‘Wist je dat ze die niet selecteren op hoe ze voor het eerst door de lucht vliegen? Het gaat om de meters ervoor.’ Blijkbaar kijken de coaches naar hoe onbezonnen kinderen op een schans af skiën. ‘De techniek van het springen kun je wel aanleren, maar als je er geen lol in hebt ga je nooit ver komen.’ Je moet niet uit zijn op het presteren – maar op het hebben van lol.

Noordwijk, februari dit jaar
De cap van mijn wetsuit zit zo strak om mijn hoofd dat mijn kaak knelt maar door de ijzige kou voel ik het niet. Ik ben met een vriend om zes uur opgestaan en naar het strand gegaan. Als we vanaf het duin de golven op de kust af zien komen kunnen we ons niet inhouden. We rennen naar het water. Een grijze golf komt op me af geraasd, haar top onstuimig roerend door de wind. Ik druk mijn gewicht naar voren op mijn plank en sta op. Ik scheer over het water, maar als ik wil sturen glijd mijn voet van mijn plank af. Ik glij onderuit maar merk dat ik niet in het water terecht kom – ik bevind me nu zittend op mijn board. Als op een slee schiet ik richting strand, verbaasd. Zo stuiter ik de golf over, tot deze op me neer klapt. Pure kou gutst als een mes mijn pak door. Ik kom boven naar adem happend, schaterend van het lachen.