Vertrouwen op de kracht van onduidelijkheid

 

In het kader van mijn derde Young Colfield opdracht bij de Universiteit Utrecht kreeg ik onlangs samen met een aantal mede-onderzoekers te maken met een interessante vraag. De opdrachtgever van het onderzoek waar we samen aan werkten had gevraagd of het ook mogelijk was om met meer kwantitatieve resultaten te komen dan de uitkomsten van de interviews die we hadden gevoerd, zodat de resultaten meteen toepasbaar zouden zijn in de praktijk. In dezelfde week volgde ik met mijn Young Colfield team een training Appreciative Inquiry. Bij een evaluatiegesprekje aan het einde van de training hoorde ik een collega zeggen: ‘Ik vond het echt heel interessant, maar ik vraag me nog wel een beetje af wat ik er nou precies in het dagelijks leven mee moet’. In beide voorbeelden gaat het over de vraag: ‘wat moet ik met deze kennis?’ In beide voorbeelden ook hoor ik een ondertoon dat de inbrenger van die kennis, de onderzoeker of de trainer, zijn vak pas echt verstaat als hij erin slaagt die kennis praktisch toepasbaar te maken voor de ontvanger. Van die ondertoon word ik eerlijk gezegd al snel een beetje onrustig. Dat gevoel van onrust onderzoek ik in deze blog verder. 

 

Wat beide voorbeelden gemeen hebben is dat ze het resultaat van kennisuitwisseling definiëren als een antwoord op de vraag: ‘wat kan ik hier morgen precies mee gaan doen?’ Dat doet mij denken aan een onderscheid dat filosoof Harry Kunneman maakt tussen zogenaamde ‘trage’ en ‘snelle’ vragen. Kunneman stelt dat we in onze huidige maatschappij vooral nog aandacht hebben voor ‘snelle’ vragen, voor vragen die, al dan niet met behulp van technologie, efficiënt kunnen worden beantwoord, zodat de opbrengst van een inspanning of investering direct helder is. Het punt dat hij maakt is dat die neiging naar efficiëntie niet bij alle vragen goed werkt. Als het gaat om meer diepgaande levensvragen over bijvoorbeeld zingeving en relaties dan helpt dat gehaast naar een snel antwoord, hoe herkenbaar en aantrekkelijk ook, toch niet echt.  

 

Wat er volgens mij in de beide voorbeelden die ik beschrijf gebeurt is dat de inbrengers van meer abstracte, ‘trage’ kennis als complexe onderzoeksresultaten of trainingsinhoud, worden gevraagd om die kennis om te vormen naar een antwoord op ‘snelle’ vragen. Die vraag is een manier om hen te dwingen de relevantie van die kennis aan te tonen. In feite komt de verantwoordelijkheid voor het resultaat van de uitwisseling van kennis daarmee bij de inbrenger te liggen in plaats van bij de ontvanger. Als je niet uitkijkt ga je daar als onderzoeker of trainer nog in mee ook. Zo voelde ik me als docent aan de universiteit af en toe best onzeker over de vraag of mijn verhaal wel praktisch genoeg zou zijn. Voor je het weet ben je vooral bezig met het vereenvoudigen en toepasbaar maken van abstracte informatie. De kans dat dat echter de behoefte van je publiek vervult is volgens mij klein.  

 

Dat komt omdat we, om met kennis te kunnen werken, moeten interpreteren, duiden en betekenis geven. We herkennen vast allemaal wel dat het daarbij wel lekker veilig voelt wanneer de inbrenger van die kennis dat doet, zodat we, zo voelt het, zeker weten dat het de ‘juiste’ interpretatie is, zodat we geen tijd verliezen door verkeerde duiding. Maar bestaat die juiste interpretatie wel? Is wat voor mij waardevol is of klopt ook voor jou de waarheid? En is het spel van zelf interpreteren niet veel leuker en spannender? Ik denk dat de vraag naar snellere antwoorden misschien wel helemaal niet duidt op de onkunde van de inbrenger om het toepasbaar te maken, maar veel meer op een gebrek aan lef bij de ontvangers om te interpreteren en eigen kleur te geven, onafhankelijk van wat de interpretatie van iemand anders is. 

 

Als je het zo bekijkt dan gaat de neiging om ‘trage kennis’ snel te maken dus eigenlijk over vertrouwen. Vertrouwen in jezelf en in je eigen skills om met alles wat er om je heen is een weg te bepalen die goed is. In dat vertrouwen handelen we bij Young Colfield. Zo heb ik in mijn traineeship geleerd dat interpreteren, duiden en kleur geven iets is dat ieder mens vanzelf al doet. We kunnen niet anders. Als mensen duiden we alles wat we om ons heen zien aan de hand van ons eigen referentiekader, dat is opgebouwd uit ervaringen in het verleden. Zo beschouwd is de vraag ‘wat kan of wat moet ik hier in de praktijk mee’ eigenlijk niet de juiste. Het gaat veel meer om de vraag wat wil ik hiermee? Hoe interpreteer ik dit onderzoek of de inhoud van deze training, hoe geef ik er betekenis aan en wat neem ik eruit mee? Waar geloof ik in? Als je goed in staat bent om naar je eigen intuïtie te luisteren, om te voelen wat jouw antwoord op die vragen is, dan kan je het eigenlijk niet fout doen. Dan kun je leven in het vertrouwen dat het volgen van je hart je brengt naar een plek die goed en fijn is, dat het ‘juiste’ antwoord er eigenlijk al die tijd als is, dat je het alleen even in jezelf moet vinden. Dat gevoel maakt mij in elk geval veel vrijer en blijer dan altijd maar te moeten vragen wat ik ergens praktisch mee kan. Bedankt Young Colfield!